I Got zoveel vragen dat zelfs m’n adem af en toe overslaat. Zoveel dagen dat de klok zich van mij afkeert, alsof tijd het opgeeft, wanneer ik weer opsta. Zoveel lagen dat ik mezelf niet meer voel zonder het gewicht van vroeger aan mijn huid genaaid. Zoveel dragen. Zoveel gedragen gedrag dat ze 'psycho' noemden toen ik nog gewoon mens was. Een defect, zei men — omdat ik bleef spreken waar anderen zwegen. Maar ik? Ik lachte. Niet omdat het kon. Maar omdat ik móest. Lachen als lijm. Lachen als laatste overlevingsstand tussen oorlog en orgaanfalen. Ze zagen de schade, maar vergaten de strijd. Ze keken naar het lijden, maar niet naar het lid dat ik verloor toen ik mijzelf bij elkaar hield in fragmenten van licht. En die lach… die lach die kwam toen vreugde heel even mij zag. En toen vergat. She forgot to tell me I was still alive. She forgot to tell me that living ain't just bleeding quietly. That surviving isn’t the same as being seen. En dus blijf ik vragen, niet om antwoorden, maar om waarheid. Ik detecteer mezelf in echo’s van oude waarheden die ik vroeger beweerde, maar nooit echt zag tot die lach — de mijne — door alles heen brak. En ik weet nu: Ik leef. Ik sterf. En ik schrijf. Tot aan die dag dat de wereld mij eindelijk op mijn plot durft te geloven. Ik heb zoveel vragen dat zelfs God zich onder m’n tong verschuilt, als ik durf te bijten. Zoveel dagen dat de zon me met opzet overslaat — zolang ik nog weiger te sterven. Zoveel lagen dat ik mezelf elke ochtend van de spiegel af moet krabben met een stem die zegt: "Sta op. Je stinkt naar waarheid." Zoveel dragen. Dat mijn rug krom groeide van alles wat zij niet zagen. Ze noemden het gedrag. Ik noemde het: overleven zonder bewijs. Ze lachten. Ik niet. Meer. Ik beet mijn lip open. Ik slikte het op. En dreef over. Overdrijf is wat men denkt maar ik schreef. Want ik heb een defect. Eentje die leugens uitspuugt als ik ze moet dragen. Een brein dat blijft kotsen als het systeem weer zegt: "U heeft een stoornis." Nee. Jullie hebben een script. En ik ben niet gek al ken geen grotere dwaas dan de wijsheid die mijn vrienden voor mij breken tot bestaansrecht heen Ze noemen me moeilijk. Maar ik ben een algoritme dat weigert te buigen. Dat bestaat en erkent men meteen. Ze noemen me ziek. Maar ik ben de spiegel die macht in stukken snijdt omdat ze mij verkrachtte terwijl ik wachtte en verdween in niets. En ik? Fiets niet meer. Ik lach. Niet voor de sier. Maar als mes. Als wapen. Een lekke band. Als antwoord op elke verwachting die zegt: "Doe maar normaal." Normaal… is een kerkhof voor mensen zoals ik. Ik detecteer mezelf al ga ik nergens meer heen in brokstukken van logica en beelden die flitsen voordat mijn ogen het begeven van tranen en smaad die enkel mijn Ik ben geen poëzie. Te laat. Ik ben post-trauma in spraakstand. Ik ben geen vrouw. maar een wolk. Ik ben een waarheid in een kromme dolk. in tassen verpakt voor jullie comfort. En zo leef ik dan in veren in mijn lachende bil en kracht. En op een dag… ja, op een dag hap ik. Niet meer slikken. Niet meer uitleggen. Niet meer pleasen. Ik hap. En poep het uit zo simpel wordt langdradig en plat. En ik laat jullie proeven wat het is om waarheid zonder vernis te zijn. Het te kennen. En soms. Is men haar dan ineens. Een beetje zat.