Ze sliep ooit zacht in een warm huis Foto’s aan de muur, geur van koffie in de ochtend Nu telt ze wijsheid op teegels én vreemde toiletten als hoop. Die ze niet langer snapt dan geschreven in steen... Met haar tas als kussen, jas als laatste harnas. Mensen kijken langs haar heen Alsof ze lucht is, alsof ze niets is Maar in haar zak zit nog een sleutel Van een deur die niet meer bestaat Ze heeft alles verloren Maar ze staat nog steeds Op kapotte hakken in t zand, in een kapotte wereld als bezit van staat zonder land Ze heeft niemand meer over Maar ze staat nog steeds Met lege handen, en een hart dat niet breekt Ze staat nog steeds Ze staat nog steeds Ze kent de namen van de vuilnismannen En van de hond die elke nacht bij haar blijft (hey) Ze lacht om grappen die niemand hoort Praat zachtjes tegen gisteren, om vandaag te verdragen In een etalage ziet ze haar schaduw Rimpels van vermoeidheid, ogen vol vuur “Ben ik dit?” fluistert ze, “of ben ik meer?” En ergens binnen antwoordt iets: “Je bent er nog” Ze heeft alles verloren Maar ze staat nog steeds Op kapotte hakken, in een kapotte wereld Ze heeft niemand meer over Maar ze staat nog steeds Met lege handen, en een hart dat niet breekt Ze staat nog steeds Ze staat nog steeds Elke nacht een kleine dood Elke ochtend toch weer adem Elke stap op koude stenen Zegt haar zachtjes: “Jij bent staal, geen glas” (ooh) Ze heeft alles verloren Maar ze staat nog steeds Op kapotte hakken in t zand, in een kapotte wereld als bezit van staat zonder land Ze heeft niemand meer over Maar ze staat nog steeds Met lege handen, en een hart dat niet breekt. Wel spreekt... Ze staat nog steeds Ze staat nog steeds En morgen ook Als de stad weer doet Alsof ze haar niet kent