
Ik kreeg nooit zomaar sorry, van iemand die niet wist waarvoor. Toen kwam jouw aangifte, en bleken je schenen langer dan mijn tenen want ik moest buigen voor de wet, terwijl ik om hulp stond te roepen. Lieve agent, ik schrijf niet met haat, maar met pen voor wie ik ooit hielp. Ik schrijf geen excuses, ik schrijf herinnering: aan die nacht dat mijn hoofd zichzelf niet meer kende. Naakt, bang, verward. Ik schopte niet tegen jou, maar tegen alles wat me sloeg in vroegere jaren. En ja — dat raakte jouw benen, maar ik was allang gevallen. Ik ben zorgverlener, net als jij een diener. Wij staan in brandhaarden met mensen die breken, waar normaal gedrag niet meer werkt. Die nacht brak ik zelf, en niemand zag dat ik ter plaatse was voor een ander soort nood. Je deed je werk. Ik verloor het mijne. En sindsdien probeer ik te leren hoe spijt klinkt zonder straf. Ik zeg sorry niet om schuld te wissen, maar om waarheid te dragen. Want ik was geen dader, alleen te laat met hulp vragen. Zie me nu: geen zaaknummer, maar een mens in overgave. Ik hoop dat jij de mens in mij herkent, zoals ik de agent in jou herken. En mocht dit ooit voor een rechter staan, dan hoop ik dat men leest: dit was geen aanval dit was een breuk. Dus sorry, voor wat je voelde, voor wat ik verloor, en voor alles wat geweld leek terwijl het slechts overleven was. Met berouw, en een restje hoop dat waarheid ooit zachter weegt dan wet. Tas

