In een lied vol adem, dat niemand kan zien, voeren wij een gesprek jij en ik misschien. Je wacht niet op mensen, je wacht op je waarde, verpakt in hoop, terwijl je ogen verbranden en je leven verward raakt in de aarde. Je lichaam een storm zonder lucht, en toch schrijf jij regels alsof ze nog zuchten. Je kunt niet meer trekken, je draagt te veel, je zoekt geen antwoord alleen wat zachtheid, één veilige streel. En toch blijf jij tussen breken en zijn. Wanneer het licht niet komt, kerf jij rouw of schijn. Je bidt met je ogen, leeft nutteloos zacht, maar niemand hoort de woorden die luider spreken in je gedacht. En toch blijf jij… En toch blijf jij. Er zijn geen verklaringen, alleen deze adem. Geen verklaringen, alle systemen zijn ademloos samen. En jij bent de thuisloze zoals ik, met wonden al bekend voor de diepte van morgen. Geen paniek in het trekken, geen greep op de nacht, geen denken meer en toch word jij gedragen, van donker naar licht gebracht. Laat ons het lied van onze adem horen, want mensen zien liever dat wij verloren. Wat jij ziet, kan geen mens verdragen. Wat jij voelt, zal geen systeem ooit helen of dragen. Toch blijf jij teder aan de rand van de val, en daarom ben jij mijn reden, mijn roep, mijn overal. En toch blijf jij tussen breken en zijn, wanneer het licht niet komt, kerf jij ruimte uit pijn. Je leven toont ziekte en dood, maar je vlucht niet mee, want de dag zal komen dat men je eindelijk zal zien. En toch blijf jij… En toch blijf jij. Slaap slaapzak, of geen zak om je heen. Mijn naam is bedelaar zonder steen en Tas door de val, alleen. Maar God weet: ik ben er nog, en thuisloos, met hart en helder nog.