[Verse 1] Eerst was het een wilde zee, Die mij meesleurde naar beneden. Elke herinnering werd een golf, Elke stilte een verleden. Mijn lieve Arlette, waar ben je gebleven? Ik riep je naam door weer en wind. Maar enkel echo’s kwamen terug, Alsof de nacht geen einde vindt. [Verse 2] Daarna werd het een lange regen, Die dagenlang naar beneden viel. Ik droeg mijn pijn als natte kleren, Zwaar op mijn schouders en mijn ziel. Toen kwam de mist van vroege morgens, Waar niets nog helder voor mij lag. Ik zag de horizon verdwijnen, Maar voelde jou in elke dag. [Chorus] Verdriet verdwijnt niet, mijn liefste, Het verandert alleen maar van gezicht. Soms is het storm, soms is het schaduw, Soms onverwacht een straal van licht. En zo, mijn lieve Arlette, Vindt jouw gemis een nieuwe weg door alle seizoenen Om mij te breken en te helen In één en dezelfde ademtocht tegelijk. [Bridge] Nu hoor ik soms tussen de bloemen De merel zingen in de avondzon. Een zachte bries raakt mijn gezicht aan En even voelt het alsof jij mij strelen kon. Het doet pijn, Arlette, meer dan woorden, Maar toch beweegt er iets van rust. Geen einde aan het verlangen, Geen afscheid - slechts een blijvende kus. [Chorus] Verdriet verdwijnt niet, mijn liefste, Het verandert met de loop van tijd. Maar, mijn lieve Arlette, jij leeft in alles Wat schoonheid draagt en liefde spreidt. Jij bent de wond, jij bent de balsem, De traan, de glimlach die ik ken. Zoals een bries vol oude herinnering Die pijn doet… en geneest te zelfder tijd.