
Ze vragen: "Waar woon jij?" Ik wijs naar de lucht. Naar een boom. Naar een krant. Naar morgen. En sleep mijn boekentas, alsof de school nooit stopte. Alleen de lessen werden bossen, regen, en een wereld die zichzelf verkocht toen ik klopte. Mijn tent lekt soms eerder dan de wekker. De koffie smaakt naar onderweg. Mijn adres is "vandaag" waar ik mijn schoenen zet. Of uit mag doen. Refrein De wereld is één groot gekkenhuis, en dit... dit is het hoofdkantoor. Een boekentas vol levens, een rugzak vol verhalen, hang en mat tot vakantiehuis waar ik even mag bestaan en hoor... Met hen, net als ik naast maar toch ook tussen de bewoonde wereld door... Vers 2 Mijn bureau heet koos. Mijn archief is werkeloos. Mijn collega is de openlucht en mensen die soms heel even blijven staan bij mijn CV. Of doos. Ik vergader met de regen. Ik onderhandel met de wind. En als de zon verschijnt, lijkt God een stoel voor mij te hebben klaargezet en ben ik als een kind. Bridge Noem me geen zwerver. Al draag ik geen dak. Ik verzamel verhalen. Problemen. Papieren. Stapels dik en geld zo groot terwijl 't buiten dan wel giet. Of goot. Ik ben de schrijver die gelooft dat een mens meer is dan zijn postcode of BSN. Want wat als ik je ken? Laatste refrein De wereld is één groot gekkenhuis. Mijn kantoor staat tussen instanties, bank en kinderen der rekening of lotgenoot en God. Zwaarder dan papier. Of gouden zwijgend kaft zo dik. De wereld is één groot gekkenhuis, en dit... dit is het hoofdkantoor. Een boekentas vol levens, een rugzak vol verhalen, hang en mat tot vakantiehuis waar ik even mag bestaan en hoor... Met hen, net als ik naast maar toch ook tussen de bewoonde wereld door... Een dakloos leven op een bankje. Van spoor tot spoor. Tegen de etalage. Zetten tegels tellen stappen door. De wereld is een gekkenhuis. Wij een hoofdkantoor, een duim omhoog want daar sta ik voor.

