[Verse 1] Geboren in negentien één en zeventig met zand in je schoenen, rechtop meteen Jij liep door regen, door deuren van staal en iedere nee werd voor jou een verhaal Je draagt je naam als een gouden schild kalm van buiten, maar binnen wild Leeuwin van hart, met vuur in je rug Als jij valt, sta je weer op in één zucht [Pre-Chorus] En iedereen ziet het als je lacht maar jij hebt je stormen zelf doorgebracht Geen zachte vorm, geen breekbaar glas jij bent de hand die de wereld verrast [Chorus] Leeuwin, leeuwin, jij blijft staan Leeuwin, leeuwin, jij gaat maar door Sterke vrouw, met je kop omhoog Leeuwin, leeuwin, jij brandt gewoon Leeuwin, leeuwin, hoor je naam Niet te temmen, niet te breken Sterke vrouw, uit één negen zeven één Jij laat je eigen zon niet steken [Verse 2] Koffievlek op een houten tafelrand sporen van werk aan je ene hand Een sleutelbos, een tas vol bewijs van alles wat jij maakte tot je thuis Je zegt niet veel, maar als jij iets zegt dan wordt er geluisterd, dan is het echt Jij bent de muur en ook de deur Als het donker wordt, geef jij kleur [Pre-Chorus] En iedereen ziet het als je lacht maar jij hebt je stormen zelf doorgebracht Geen zachte vorm, geen breekbaar glas jij bent de hand die de wereld verrast [Chorus] Leeuwin, leeuwin, jij blijft staan Leeuwin, leeuwin, jij gaat maar door Sterke vrouw, met je kop omhoog Leeuwin, leeuwin, jij brandt gewoon Leeuwin, leeuwin, hoor je naam Niet te temmen, niet te breken Sterke vrouw, uit negentien één en zeventig Jij laat je eigen zon niet steken [Bridge] En als de nacht te lang wordt zet jij zelf het licht weer aan Niet om gezien te worden maar om voor jezelf te staan [Final Chorus] Leeuwin, leeuwin, jij blijft staan Leeuwin, leeuwin, jij gaat maar door Sterke vrouw, met je kop omhoog Leeuwin, leeuwin, jij brandt gewoon Leeuwin, leeuwin, hoor je naam Niet te temmen, niet te breken Sterke vrouw, uit negentien één en zeventig Jij laat je eigen zon niet steken


