
[Chorus] Vier studenten in de trein, op weg naar Leiden Met grappen en verhalen, die ons verblijden De reis is kort, maar de lach blijft lang Want samen maken wij een vrolijk lied en zang [Verse 1] Zegt er een: „In welke plaats in Nederland Lopen geen honden, raad eens heel snel?" Na een korte stilte roept hij lachend luid „Katwijk!” En wij lachen in het wild [Verse 2] „Ik ken er nog een: Wat zeggen twee soldaten Die in een bos lopen?” vraagt hij vrij De anderen hebben geen idee, maar hij lacht „We are under a tak,” roept hij blij [Bridge] De trein raast door, de tijd vliegt snel Grap na grap, ja, we kennen ze wel Maar als de laatste komt, dan juichen wij De grap is flauw, maar de lach is vrij [Verse 3] „Waarom zwaait Máxima nooit met deze hand?” Hij steekt zijn hand op en grijnst groot „Omdat het mijn hand is,” zegt hij, en tot onze vreugd Rijden we station Leiden binnen, de reis is groot [Outro] Tot zijn spijt en onze opluchting, Het einde van de rit, maar niet van het zingen Vier studenten in de trein, op weg naar Leiden De herinnering aan de grap, die blijft ons verblijden. [Fade to silence]

