Het lijkt al lang geleden, jij danste daar, Onder disco lampen en raakte een snaar. In je hand — een stukje mandarijn, Je gaf het aan mij, een gebaar zo klein. We bouwden samen, steen op steen, Twee kinderen groot, geen dag alleen. Een meisje, een jongen, hun dromen op weg, Met hun eigen liefde, een eigen leg. Nu hoor ik kleintjes, ze roepen mijn naam, Ze rennen rond, klimmen op het raam. Jij leest voor in de zonneschijn, En ik fiets naar de koeien, dat vinden die kleintjes fijn. Ook al komen de rimpels en grijs haar, Ik zie jou nog zoals je daar stond, wij een paar. Want jij bent het lied dat nooit is verstomd, Een zachte toon die blijft, ook als het anders komt. Als het doek valt, dan weet ik, het is oke. Want wij hebben geleefd vol liefde, vaak familie diner. En ik hoor jouw stem in elk kinderlied, In hun ogen zie ik ons verhaal een ander niet. Ook al komen de rimpels en de jaren, Jij blijft mijn licht, mijn zachte gebaren. En als het einde zachtjes nadert, zonnestraal, Laat me dan gaan het is geen eind signaal. Want stof wordt weer sterren, wij worden weer licht, In elke nacht zie ik jouw gezicht. Tot we weer dansen, ergens in tijd, Waar mandarijnen groeien en liefde nooit slijt. Onze liefde blijft... Onzichtbaar, maar altijd dichtbij.