
.....Ergens in Nederland huist een dakloze draagster van de staat. Zonder omhalen zeg ik het maar: ik ben een straatorgel. Irritant en een bakkie vol centen Draai ik winter naar lente Sneeuw onder in geweld Van geluid dat dagen snijdt Door kou en voorbijgangers die klagen leef ik zonder tijd, vol geesten en stil lawaai In het staken van de woorden die niet stoppen draai ik door Ergens in Nederland, waar ik dakloos toe behoor. Dakloos klinkt te netjes. Te schoon voor een leven zonder muren, met stigma per uur. Ik ben die je vermijdt. Ik ken de goten beter dan jij strijdt voor wat jij het jouwe noemt. De grootste is de kleinste. Wie alle steegjes kent, weet dit: rust is een vergiet en regen boeit niet als je toch al nat bent. De straat spreekt. Niet in woorden, maar in stappen. Ze telt me. Kent mijn nacht. Legt geheimen onder mijn hemel zoals dronken lotgenoten die zich laten rapen en toch blijven liggen. Wie lapt ons? Ik viel al buiten voor ik viel. Daken dik. Het went. Daarmee is alles verloren. Maatschappij dun. Thuis hoorde ik erbij. Nu hoor ik handhaving. Niet voor mij. Voor jou. Ik had niets meer dan mijn naam. Ik heet Tas. Stop met overleggen en draag mijn last. Geen medelijden. Straatwijsheid in smeken In oordeel gedrag en diagnoses, dronken kelen delen een lach en ik... Leef gedeelde stenen, geschiedenis die schreeuwt in stappen van de onderwege En ik kende het leven anderzijds. De straat zwijgt bij loketten. Kent geen doorverwijzing. Spreekt elke taal die over haar heen loopt en door niemand wordt verstaan. Geven klinkt duur. Barmhartigheid is een ezel met lust klinkt rust en koppig in de zucht Zoals in de ochtenddauw waar stilte met mij sliep Ik was te gek te perongeluk pechvogel en gewoon zelfred mij please om door te gaan. Zitten zonder bestuurd te worden is hier al geschiedenis. Maakte de straat mij rijk? Of alleen gewend? Ik was hulpverlener. Nu een probleem. Dat heet burgerschap. Ik zie de dakloze niet die ik ben. Ik draag een masker voor jou. Zoete koek. Maar ik ken de smaak van cijfers, kolommen, verantwoording. Ik draag haar zelf. Dakloosheid is een boete als ik pis. Bankjes met toezicht. Politie voorbij. Belofte van veiligheid en ik woon op de grond. Gebrek aan muren is geen vrijheid. Het is nood die noodzaak wordt. Ik was iemand. Nu geen. Maar op straat sta je nooit alleen. Je leert slecht kijken als het moet. Wat jij bezit houd je vast. Wat ik bezit is belachelijk veel. De overgang was koud. Dat noemt men liefde als niemand je opvangt. De straat is geen romantiek. Ze is trouw. Ze weet meer dan jij over holle stappen, merken, nacht. Fracturen, facturen, Reken mij om. Schrijf mn buik vol plannen. Maak maar een kolom. Of schrijf niks. Een som. Zo gij gemis, waarheen? Veiligheid van mij alleen. Dakloosheid is wennen aan instanties die je willen kennen maar je laten liggen. Ik bedel niet. Maar kijk je me aan? Er komt een dag dat jij mij kan worden als ik allang niet meer dakloos ben. Dan pluk ik jou uit stigma en geweten. Wie is dan beter? Wie is het bangst? De straat heeft een code. Wij zijn mens. In lagen. Gebruik je oren. Niet je verstand. Je hart weet al wat dit is. Soep. Stoep. Bed. Brood. Bad. En dan die rauwe rand. Dit gebeurt in Nederland. En per ongeluk deel ik mede. Ik leef onder Ede in alle staten. Ik spreek in alle straten.


