
Er zit een jongetje vast in mijn hoofd in Gaza, een meisje had ook gekund of haar papa, een dode moeder van negen dode kinderen, één of twee of tien van de meer dan vijftigduizend doden in Gaza, maar het is dit jongetje dat vast kwam te zitten in mijn hoofd. Hij draagt een rode T-shirt zoals het meisje met het rode jasje in Schindler’s List en hij kijkt mij door de camera in de ogen met zijn ogen vol tranen, wringend met zijn handen: ‘Kom terug, mama, kom terug.’ En ik krijg hem niet meer uit mijn hoofd, dit ene jongetje dat vast zit in mijn hoofd, in Gaza en dat ook een meisje had kunnen zijn of een opeens kinderloze papa en omdat ik meer dan vijftigduizend dode Palestijnen elke avond weer op altijd weer dezelfde andere televisiebeelden niet kan vatten in mijn hoofd, zit dit ene jongetje daar vast, in Gaza. En ook omdat elders miljoenen sterven met de groeten van een miljardair of twee, en omdat het een jongetje is van elf, in mijn hoofd, in Gaza, zoals dat jongetje op zijn step, dood in het park. En hij kijkt mij aan, door de camera, het jongetje in het rode T-shirt met zijn ogen vol tranen, bij het lijk van zijn moeder, in een witte doek gewikkeld, rood doorbloed slachtoffer zo-en-zoveel van de Immer Bloeddorstige Jahweh en haar jongetje wringt zijn handen in wanhoop in Gaza. En hij keek mij aan en toen zat hij vast in mijn hoofd en hij kijkt mij aan als ik de ogen sluit, hij kijkt mij aan als ik ze open doe, hij kijkt mij aan - ik krijg ze niet meer toe, mijn ogen, want hij kijkt mij aan mij in mijn hoofd in Gaza.

