
1. De hemel prijst de HEER; hij geeft welluidend eer, hij prijst zijn scheppingskracht. De dag vertelt de dag hoeveel Gods hand vermag; de nacht spreekt tot de nacht. Al klinkt er ook geen woord, toch wordt hun stem gehoord zelfs bij de verste volken. Geen klank wordt er verspreid, toch hoort men wereldwijd hoe zij Gods lof vertolken. 2. God heeft de tent gemaakt waarin de zon ontwaakt zoals een jongeman – hij ziet er stralend uit, want hij was bij zijn bruid en daar genoot hij van. Hij is een jonge held die vrolijk voorwaarts snelt, iedere nieuwe morgen. Hij trekt een stralend spoor de wijde hemel door. Zijn glans laat niets verborgen. 3. Volkomen is Gods wet: een boodschap zonder smet, een goed getuigenis, een woord dat wijsheid geeft aan wie gehoorzaam leeft, aan wie eenvoudig is. Wat Hij van ons verwacht geeft nieuwe levenskracht; het maakt ons opgetogen. Recht is het woord van God, loepzuiver zijn gebod: een licht voor onze ogen. 4. Ontzag voor God is rein. Het laat ons zeker zijn van heil dat niet vergaat. Het doet ons veel meer goed dan goud in overvloed, dan honing uit de raat. Uw voorschrift geeft ons licht; als ik mij daarnaar richt, blijf ik aan U verbonden. Maar ach, wie zondigt niet? Wie doet U geen verdriet? Vergeef mij al mijn zonden. 5. Bescherm mij, HEER, maak mij van grote zonden vrij; ik ben uw trouwe knecht. Als U mijn hart behoedt, dan mijd ik overmoed, dan dien ik U oprecht. Laat wat ik zeg en denk, waaraan ik aandacht schenk, U altijd weer behagen – God die mijn leven leidt, God die mijn ziel bevrijdt, mijn rots, die mij wil dragen! (Tekst: Arie Maasland)

