[Intro] In de stad waar licht en schaduw samenkomen, dwaalt een vrouw zonder thuis. Haar verhaal wordt verteld in de rimpeling van haar schaduw, in de echo van een leven dat ooit vol kleur. Haar ogen weerspiegelen de verhalen, vol van hoop en verborgen tranen, terwijl ze navigeert door de chaos van de dag. Hier begint haar reis, een reis zonder kaart, in de open lucht die haar toevluchtsoord is. [Refrein] Waar licht mij raakt, loop ik op wat kraakt, tussen muren van stilte, leer ik staan. Geen huis van steen, maar hart van vuur, mijn toevlucht puur — hardgekookt echt door schaduw heen, kust ik wat brak en recht. Daar word ik licht, daar ben ik vrij van wat stak. En echt. [Vers 1] Ze vindt haar thuis als vreemde onder de zwervers, omarmd door degenen die de nacht als hun mantel plooien. Hun verhalen waaien als de wind door de straten, elk gebaar, elk woord, is een fluistering dat de zorgen verjaagt en nieuwe dromen weeft in het tapijt van de stad waar dag als nacht wel leven is. Samen een schilderij van hoop en verlangen, een gedeelde lotsbestemming. [Refrein] Waar licht mij raakt, loop ik op wat kraakt, tussen muren van stilte, leer ik staan. Geen huis van steen, maar hart van vuur, mijn toevlucht puur — hardgekookt echt door schaduw heen, kust ik wat brak en recht. Daar word ik licht, daar ben ik vrij van wat stak. En echt. [Vers 2] Ze zoekt de stilte in haar hart, het eerste teken van een verloren zelf dat trilt. In elk gesprek met de gezichten van de nacht herkent ze een stukje. Terwijl de maan waakt, biedt ze een glimlach aan de sterren die kracht vinden in elkaar. De donkerte is niet langer vijandig; het wordt haar bondgenoot. Ze vangt de melodie van hun lachen, een symfonie van gebroken dromen, en ontdekt zo haar eigen stem weer. [Bridge] In de stad waar licht en schaduw. Waar ze kwamen, samen en weer komen om te gaan, blijf jij of ik, blijven wij staan in donker of door schaduw te licht? [Vers 3] Nu strijdt ze voor hun leven en een huis. Gedreven door de kracht van het licht die opbloeit in de duisternis, verzet ze zich tegen de kou van buitenaf. In de ogen van haar metgezellen ziet ze nieuw vuur ontvlammen, een verlangen naar thuis en warmte. Samen trotseren ze de muren van onverschilligheid, bouwen ze aan een toekomst met iedere steen, ieder woord van hoop. Haar reis is nu een gemeenschappelijke strijd geworden, verweven met dromen van veiligheid en liefde. [Refrein] Waar licht mij raakt, loop ik op wat kraakt, tussen muren van stilte, leer ik staan. Geen huis van steen, maar hart van vuur, mijn toevlucht puur — hardgekookt echt door schaduw heen, kust ik wat brak en recht. Daar word ik licht, daar ben ik vrij van wat stak. En echt.