
Zij sluipen naar de kippenren, Tien keer gluren langs het vat; In hun kleine handjes dromen, Van een schat in ’t strooien pad. Drie witte eitjes, zo verfijnd, Liegen zacht in ’t avondlicht; Maar dat bruine ei, te groot misschien, Maakt dat wonder zich aan mij richt. Oh, het ei van de haan… Dat kun je toch niet aan… Zeg me nu, wat is er aan de hand? Dat rare ei in ’t land… Kleine meisjes, vol vertrouwen, Kijken elkaar aan en weten meteen: “Dat ei is anders, iets te zwaar, ’t Kan niet door een kip alleen.” Hun fluisterstemmen klinken als jazz, In ’t schemerlicht zo zoet; Ze zingen zacht hun kippenblues, En heffen trots hun buit. Oh, dat ei van de haan… Durf je ’t aan te beamen? Is ’t vogelwijsheid of kinderpraat, Dat bruine ei in de stal? Nu zit ik hier, op dat oude bankje, Luister ’t kinderkoor in de tuin; Hun schaterlach weerklinkt in ‘t duister, Terwijl de haan sluipt in de buien. Drie eitjes wit als maanschijn, Één ei bruin als herfstbries; En ieder kind hier weet heel zeker, Dat dat bruine ei je zielenroers heeft. Oh, dat ei van de haan… Kun je ’t geloven, man? In die stille avondstond, Breekt hun kippenblues ons rond…

