
[Verse 1] Ik zit op het station en denk aan de verhalen die passeren. Ieder een perron. Geen verhaal kan zich verweren. Die stem knikt de ander goed en zegt vrolijk flamboyant: goedemorgen vrind, terwijl een ander wegdenkt en kijkt omdat zijn vrouw echt wat anders vind. Iets gevangen. Maar jij, vanochtend raakte jij mij, dakloze vrouw op de nachtopvang waar onze levens slapend raken op stapelbed. Vandaag stond je op mijn perron, ik onder hoor. En je vertrok naar een volgend station waar ik zelfs nooit kan komen. Zoals misschien er weer bovenop. Gevoelens die we delen. Je baby doodgeboren, een jaartje oud, in je armen gestorven. "Gefeliciteerd?", zeg je dan? En toen buiten onze vriend, de dakloze man, die zijn bus verkopen moest en zijn onder toezicht nu een uurtje kinderen kan. Harteloos dat station. En dan de bestuurders die voorbij fietsen, ik zag ze als gelijken Nu heb ik geen idee, want niemand ziet nog waar we op elkaar lijken en wat wij verdienen en respect voor hen mag allen die krijgen. En eerlijk zullen we wezen. En zijn dan... Geen vijand noch vriendschap, ik vond het onderaan de ladder, de lat. Rand. Tering - sorry voor de oren - kwetsbaar krachtige stand. Met hen die de koffie met me keesten. Daklozen en ik zijn beesten? Jij verslaafde die al zeven jaar wordt beloofd, maar steeds - net als ik binnen twee weken als pro myself - door de zorg wordt terug geparkeerd op station Lutjebroek waar je zelf van Putten naar Blijdorp mag kutten. En dan de fietsers op het station waar we vaak hangen en staan. Als immigrant ben je de lul, je kunt de gewezen informanten niet eens begrijpen, stelletje lijpen zo vinger aan de Pools... Ieder zijn perron. Maar onze verhalen laten we stemmen op straat gaan staan. Elkaar omarmen in een groepshug van maatschappelijk bestaan. En terug naar mijn begin, vandaag sta ik op jouw perron. Lieve vrouw, je verloor een kind en ik ken niet eens je taal. Maar onze harten spraken. En doen, ja, dakloze vriend. Je kinderen die snappen dit niet helemaal. Maar je zal er zijn, zoals zij moeder was. Maar jij en ik, boks. Nooit anders geweest al mis ik niks nog. Echt.. Maar dit is nog echt geen eind van ons verhaal. Zo werd gezegd, maar nooit gesproken.Toch? Voor RAJA [مقطع ١] أجلس في المحطة، أفكر في القصص التي تمر بي. كلٌّ منها رصيف. لا قصة تدافع عن نفسها. يومئ ذلك الصوت للآخر ويقول بمرحٍ وبهجة: "صباح الخير يا صديقي"، بينما يفكر آخر وينظر بعيدًا لأن زوجته لها رأي مختلف تمامًا. شيءٌ ما مُلتقط. لكنكِ، هذا الصباح أثرتِ بي، امرأةٌ بلا مأوى في ملجأ ليلي حيث تلتقي حياتنا، نائمة على سرير بطابقين. اليوم وقفتِ على رصيفي، وأنا، تحته، أسمع. وانطلقتِ إلى المحطة التالية حيث لا أستطيع حتى الوصول. ربما حتى العودة إلى هناك. مشاعرنا مشتركة. طفلكِ، المولود ميتًا، عمره عام واحد، مات بين ذراعيكِ. "مبروك؟" تقولين حينها؟ ثم في الخارج، صديقنا، الرجل المشرد، الذي اضطر لبيع حافلته، ويمكنه الآن أن يضع أطفاله تحت المراقبة لمدة ساعة. تلك المحطة قاسية القلب. ثم رأيتُ سائقي الدراجات يمرّون، كأنهم متساوون. الآن لا أدري، لأن أحدًا لم يعد يرى أوجه التشابه بيننا وما نستحقه، واحترامهم يستحقه الجميع. ولنكن صادقين. ثم هم... لا عدو ولا صداقة، وجدتُه في أسفل السلم، في الحانة. حافة. اللعنة - عذرًا على الصمم - موقف ضعيف وقوي. مع من شربوا القهوة معي. أنا والمشردون حيوانات؟ أنت مدمنٌ وُعدتَ به منذ سبع سنوات، ولكن دائمًا - مثلي تمامًا، في غضون أسبوعين، كمروّج ذاتي - تجد نفسك متوقفًا بجوار نظام الرعاية الصحية في محطة لوتجيبروك، حيث يمكنك القيادة من بوتن إلى بليدروب بنفسك. ثم راكبو الدراجات في المحطة التي نتسكع فيها كثيرًا. كمهاجر، أنت في ورطة، لا تستطيع حتى فهم المخبرين السابقين، مجموعة من الحمقى، الذين يتحرشون بالبولنديين... لكلٍّ منّا منصته الخاصة. لكننا تركنا قصصنا تصبح أصواتًا في الشارع. نحتضن بعضنا البعض في عناق جماعي للوجود الاجتماعي. وعودةً إلى بدايتي، أقف اليوم على منصتكِ. عزيزتي، لقد فقدتِ طفلًا، ولا أعرف حتى لغتكِ. لكن قلوبنا تكلمت. ونعم، يا صديقة المشردين. أطفالكِ لا يفهمون هذا تمامًا. لكنكِ ستكونين هناك، كما كانت أمًا. لكننا أنا وأنتِ يا صندوق. لم نختلف قط، مع أنني لم أعد أفتقد شيئًا. حقًا... لكن هذه ليست نهاية قصتنا. قيلت، ولم تُقال. أليس كذلك؟

