
De stormen waren verjaagd. De muren rezen hoog genoeg, geen ziel kon mij daar raken. Niet het leven. Niet de pijn. Niet God zelf. Ik noemde het vrede. Doch het was slechts afstand. Ik bouwde een eiland van stilte, steen voor steen, jaar na jaar. Ver van het rumoer, ver van het vuur, ver van de wonde. Elk onbeantwoord gebed begroef ik onder het zand. En toen de oceaan mijn naam riep, deed ik of ik het niet hoorde. Toen brak er iets. Niet de wereld. Niet de hemel. Ikzelf. Een scheur ontstond in de veste, en door die wonde kwam een Licht binnen. Eén onmogelijk ogenblik raakte ik het Oneindige aan — een herinnering ouder dan herinnering, een stem zonder woorden, een thuis dat ik vergeten was. En plotseling keerden de kleuren weer. En plotseling begon mijn sluimerend hart te ademen. Nu doet alles pijn. De stilte. De afstand. De lege kamers in mij. Mijn verstand schreeuwt: Ga terug! Bouw de muren weer op! Keer naar het eiland! Vergeet wat gij zaagt! Vergeet wat gij voelde! Vergeet! Maar mijn ziel herinnert. Mijn ziel herinnert. Mijn ziel herinnert. Het Licht voorbij de muren, de zee voorbij het eiland, de Naam die ik vergeten had, het Aanzicht onder het masker. Ga terug! Bouw de muren! Vergeet! Vergeet! VERGEET! Ik kan niet… Ik kan niet… Ik kan niet… Nu zit ik temidden der puinhopen, zie ik schaduwen bewegen over gebroken stenen. Niets bleef over van de mens die ik eens was. Het eiland is gebroken. De droom is gebroken. De gevangenis is gebroken. En toch roept het Oneindige nog. Een deel van mij wil vluchten. Een deel van mij wil verdwijnen. Een deel van mij wenst dat ik nooit ontwaakt was, nooit herinnerd had, nooit de eeuwigheid aangeraakt had. Het zou zoveel lichter geweest zijn… Bevrijd mij. Bevrijd mij van de vrees. Bevrijd mij van de scheiding. Bevrijd mij uit de kerker van mezelf. Neem weg wat vals is, laat alleen wat waar is. Bevrijd mij. Bevrijd mij. Bevrijd mij… …en laat mij thuis komen.

