
(Verse 1) In de Amsterdamse metro, een man verschijnt, Gekleed in camouflage, zijn boodschap duidelijk en klein. "Wij zijn de soldaten van God," roept hij met vuur, Zijn stem galmt door de trein, elk woord een avontuur. (Pre-Chorus) Jezus' offer, zo zegt hij, bracht ons verlossing, De zonden vergeven, een goddelijke belofte. In talen divers, met passie en kracht, Predikt hij hoop en geloof, dag en nacht. (Chorus) Soldaten van God, in witte letters op zijn rug, Stappen we voort, door het leven, door de brug. Eén weg, één pad, dat is wat hij verkondigt, Terwijl de metro rolt, de stad in beweging. (Verse 2) De deuren sluiten, de reis begint, De man blijft preken, zijn ogen vol glinstering. "Er is slechts één weg," klinkt zijn luide stem, En de passagiers luisteren, gevangen in zijn thema. (Bridge) De metro trilt, de omroepinstallatie kraakt, En uit de speakers klinkt een naam, onverwacht: "Amstelveenseweg," zegt de stem, kil en koel, De man glimlacht, zijn boodschap als een juweel. (Outro) De Amsterdamse metro, een microkosmos van geloof, Waar de man met passie spreekt, als een held in een doop. Soldaten van God, in deze ondergrondse zee, Samen op weg, op zoek naar hoop en vrede. [Fade to silence]

