(Refrein) Ze is de boerendochter, haar ogen zijn vuur, Elke blik van haar raakt je puur. Met een glimlach die zegt: "Kom maar dichterbij", Haar handen vragen, ze weet wat jij wil, oh zo vrij. (Verse 1) Ze loopt door het veld, haar lichaam zo fel, De lucht om haar heen is heet als een vlam die snel. Haar jurk die zwiert, haar huid is zo zacht, Ze weet dat je kijkt, en ze lacht zachtjes in de nacht. (Refrein) Ze is de boerendochter, haar ogen zijn vuur, Elke blik van haar raakt je puur. Met een glimlach die zegt: "Kom maar dichterbij", Haar handen vragen, ze weet wat jij wil, oh zo vrij. (Verse 2) Ze komt dichterbij, haar adem is heet, De spanning tussen jullie, die nooit verveelt. Haar vingers langs je nek, de wereld verdwijnt, De boerendochter, alles wat je heimelijk had gemeend. (Refrein) Ze is de boerendochter, haar ogen zijn vuur, Elke blik van haar raakt je puur. Met een glimlach die zegt: "Kom maar dichterbij", Haar handen vragen, ze weet wat jij wil, oh zo vrij. (Bridge) In de stilte van de nacht, haar lippen zo dicht, De boerendochter neemt je mee in haar licht. Geen woorden nodig, haar ogen zijn al klaar, Ze weet wat jij zoekt, haar verlangen is daar. (Refrein) Ze is de boerendochter, haar ogen zijn vuur, Elke blik van haar raakt je puur. Met een glimlach die zegt: "Kom maar dichterbij", Haar handen vragen, ze weet wat jij wil, oh zo vrij.