
Voorwoord: In een waas van ochtendlicht ontwaken twee zielen in hun eerste omhelzing. Een dromerige reis door tederheid, kwetsbaarheid en de ontdekking van hoe liefde kan zijn. (Intro) (Vers 1) Het licht viel zacht, de wereld stil Twee zielen deelden één moment Een vinger trok een nieuwe lijn, langs huid die nog geen namen kent Een adem stokt, een hart slaat luid Zo’n stilte die het leven vult En in dat ritme, klein en schuchter, wordt iets geboren, onbedoeld (Vers 2) De spanning breekt niet, maar verandert Van angst naar iets wat lijkt op moed Een blik die vraagt, een knik die spreekt, op deze grens van vlees en bloed Geen storm, geen schreeuw, geen groot gebaar Alleen het zachte van de nacht Twee handen leren langzaam lezen, wat liefde zwijgend helder maakt (Refrein) We wisten niet hoe, maar we vonden elkaar Onhandig dichtbij - en toch zo waar Geen hemel vol vuur, geen zacht paradijs Maar echt - en daarom bleef het in mij (Vers 3) Niet als een storm, maar als een vloed, die langzaam over grenzen gaat Waar jij en ik elkaar herkennen en niets meer is zoals het was En in het wit, na de beweging, blijft warmte hangen - geur van huid Niet van verovering, maar verbinding Een wonder dat zich stil besluit (Brug) Ze beloofden vuur en storm van goud, een wild en vrij vergeten zijn Maar wij vonden in één ademstoot, een eeuwigheid van zin En ik vond jou in zachte stilte, waar elke trilling liefde duidt (Refrein) We wisten niet hoe, maar we vonden elkaar Onhandig dichtbij - en toch zo waar Geen hemel vol vuur, geen zacht paradijs Maar echt - en daarom bleef het in mij (Brug) Wisten niet hoe, vonden elkaar Twee lichamen leerden, wat liefde kan zijn Hoe mooi, liefde kan zijn… (Outro) En nee..., het was geen perfectie Het was echt wat er was Twee lichamen die leerden..., hoe warm liefde kan zijn Hoe mooi liefde kan..., zijn (End) ----/ Lyrics & composition © Bedhippie, 2025. All rights reserved.

