
[intro] [Verse 1] De rij was eindeloos, de lucht zwaar van zoetigheid, Bij Holtkamp, waar mensen hun geld verspillen met gretigheid. Een man draaide zich om, ogen dof en moe, "Wat brengt u hier?" vroeg hij, alsof het hem iets kon schelen. Ik mompelde iets over frambozen, hij lachte schamper, "Ah, nog zo'n slaaf van suiker," zei hij, stem steeds wat scherper. "En u dan?" vroeg ik, hij antwoordde met een zucht, "Sachertorte, mijn laatste troost in deze grijze lucht." [Chorus] Oh, de taarten van Holtkamp, ze maken ons alleen maar dikker, Met smaken die je portemonnee laten slinken, steeds sneller. Een Sachertorte, een frambozenillusie, Een ruil in de rij, wat een dwaze conclusie. [Verse 2] Bij de kassa sprak hij, stem vol ironie, "Kan ik mijn taart ruilen? Of is dat te veel fantasie?" De verkoopster knikte, haar glimlach een masker van beleefdheid, De man kreeg zijn frambozen, een ruil vol nutteloosheid. Hij liep weg, keek me aan met een blik vol spot, "Als hij tegenvalt, weet u waar u staat in dit zoetig complot." Met die woorden verdween hij in de grijze straat, Nog een eenzame ziel, door suiker misleid en verlaat. [Chorus] Oh, de taarten van Holtkamp, ze maken ons alleen maar dikker, Met smaken die je portemonnee laten slinken, steeds sneller. Een Sachertorte, een frambozenillusie, Een ruil in de rij, wat een dwaze conclusie. [Bridge] Soms ontmoet je een vreemdeling, in een rij vol wanhoop, Een klein moment dat je dag nog somberder maakt. Misschien proefde hij bitterheid, misschien proefde hij spijt, Maar de leegte in zijn ogen, die blijft voor altijd. [Chorus] Oh, de taarten van Holtkamp, ze brengen ons verder van elkaar, Met smaken die onze eenzaamheid maskeren, jaar na jaar. Een Sachertorte, een frambozenfantasie, Een ruil in de rij, een laatste poging tot empathie. [end]

