
De stad ademt. Het water luistert. De mist beweegt als zacht katoen, glijdt stil langs brug en oude woon. In elke ruit een bleke droom, jouw naam weerklinkt als onderstroom. De grachten dragen wat verdwijnt, herinnering die zacht beschijnt. Jouw schaduw rust in elk kanaal, een fluistering voorbij het maal. De lucht bewaart wat ooit bestond, Het water kent ons tot in ’t rond, en tijd vervaagt tot achtergrond. Amsterdam, waar de grachten dromen in nevel, je fluistert zacht door elke laag van ’t leven. Tussen het water en het licht, vind ik mezelf terug in jouw gezicht. De regen schrijft een stil akkoord, waar elke dag opnieuw herboren wordt. Jouw afdruk leeft nog in het raam, een schim van liefde zonder naam. De stad ontvouwt haar diepe toon, en vangt ons op als oude kroon, waar licht en schaduw samen wonen. Amsterdam, waar de grachten dromen in nevel, je fluistert zacht door elke laag van ’t leven. Tussen het water en het licht, vind ik mezelf terug in jouw gezicht.

