(M: Man, V: Vrouw) (Refrein) M: In de grachten van Amsterdam, V: De boten varen, de zon die komt, M: Bloemen kleuren de straat, zo blij, V: Dit is onze stad, de stad van mij. (Verse 1) M: Langs de Jordaan, fiets ik door, V: De zon schijnt zacht, wat een spoor, M: De grachten glinsteren in het licht, V: Tulpen in de vaas, het gezicht. (Refrein) M: In de grachten van Amsterdam, V: De boten varen, de zon die komt, M: Bloemen kleuren de straat, zo blij, V: Dit is onze stad, de stad van mij. (Verse 2) V: Van de Dam tot aan de Noord, M: De lucht ruikt zoet, het is nooit te kort, V: Op de fiets door het Westerpark, M: De zon die zakt, maar blijft sterk. (Refrein) M: In de grachten van Amsterdam, V: De boten varen, de zon die komt, M: Bloemen kleuren de straat, zo blij, V: Dit is onze stad, de stad van mij. (Brug) M: En als de avond valt, V: Dan komt de rust, M: De stad leeft door, V: De lucht zo kust. (Refrein) M: In de grachten van Amsterdam, V: De boten varen, de zon die komt, M: Bloemen kleuren de straat, zo blij, V: Dit is onze stad, de stad van mij. (Outro) M & V: O Amsterdam, je blijft mijn thuis, Met je grachten, je zon, je bloemenpracht, Wij blijven voor altijd in jouw huis.