[Intro] Ik fiets door Utrecht, stad zo vertrouwd, Drie meiden achter mij, hun stemmen luid. Ze praten over school, vakken van de dag, En ik luister mee, met de zon en een lach. [Verse 1] Ze praten over Nederlands, zinnen vervoegen, Voor één van de meiden, een taak om te vervloeken. "BGD," roept ze uit, met een blik vol spot, En ik vraag me af, wat betekent dat toch? [Verse 2] Een ander meisje fronst, ze begrijpt het niet, "Wat is dat dan?" vraagt ze, vol nieuwsgierigheid. Het antwoord komt snel, met een grijns zo groot, "Boeit geen drol," zegt ze, en ik noteer die kwoot. [Verse 3] Schrale troost misschien, maar ik moet toch denken, Het is tenminste Nederlands, dat ze hier bespreken. Ik fiets door de stad, met een glimlach zo klein, Het leven in Utrecht, soms zo simpel en fijn. [Bridge] De wind in mijn haren, het zonlicht zo zacht, De gesprekken achter mij, geven deze dag kracht. Een kleine observatie, een moment zo kort, Maar het maakt de rit bijzonder, ik fiets steeds weer voort. [Outro] Ik fiets door Utrecht, met een verhaal in mijn bol, Drie meiden achter mij, hun woorden zo dol. Een simpele ochtend, een klein avontuur, In de stad Utrecht, zo levendig en puur.


