
[Verse 1] Arlette, geboren hier in Nederhasselt, dochter van het land, van klei en licht. Tussen de velden, de seizoenen en het dorp vond jij je thuis, dat stille evenwicht. Jong al raakten pijn en verdriet je leven, Alex weggerukt, te vroeg, zo hard. En later nog je vader, en zoveel donkere dagen, maar nooit verloor jij helemaal je hart. [Chorus] Wat wonen we hier toch mooi, zei je zacht, en we houden zoveel van elkaar. Arlette, jouw liefde bleef ons bij in nacht en dag, jij maakte van gewone dagen iets wonderschoons en klaar. Eddy, ik hou echt veel van jou, dat klonk zo klein, maar het droeg een wereld in zich mee. En wat je gaf aan ons, aan Tamara, aan dit huis, dat blijft voor altijd, elke keer opnieuw, in ons geheugen mee. [Verse 2] Voor jou was het grootste geluk ons gezin, en in ’89 kwam Tamara aan. Vanaf dat moment leefde jij met heel je wezen voor je dochter, hand in hand gegaan. Jullie band was sterk, haast niet te breken, een draad van liefde, zacht maar fel. En in je blik zat altijd zorg en tederheid, zelfs na verlies bleef jij een warme ster in elk verhaal, in elke cel. [Bridge] Je droom was eenvoudig, maar zo puur: een oude, lieve, wijze vrouw te zijn. Oud ben je niet geworden, lief en wijs wel degelijk, en dat zal voor altijd waar en kostbaar zijn. Tussen beseffen en ontkennen, tussen waarheid en droom, ben je stil en zonder strijd van ons heen gegaan, in zachte droom. [Chorus] Wat wonen we hier toch mooi, zei je zacht, en we houden zoveel van elkaar. Arlette, jouw liefde bleef ons bij in nacht en dag, jij maakte van gewone dagen iets wonderschoons en klaar. Eddy, ik hou echt veel van jou, dat klonk zo klein, maar het droeg een wereld in zich mee. En wat je gaf aan ons, aan Tamara, aan dit huis, dat blijft voor altijd, elke keer opnieuw, in ons geheugen mee. [Outro] Arlette Marie Celine Scheerlinck, dochter van Maurice, mijn vrouwtje, onze moedertrein. We laten je nu los, maar nooit meer uit ons leven: wie je echt gekend heeft, raakt je nooit meer kwijt. We zullen je niet vergeten, nooit.

