
Tegenlicht
Niemand is gemaakt om te breken in het duister Ik straal tegenlicht dat roept ze “Stop luister alsjeblieft”. Dakloosheid brak niet, ze leerde opstaan, zonder sleutel, zonder binnenkomst bestaan. Een veerkrachtig uithangbord zonder steen of land. Een huis is geen droom die tijd landt het is veiligheid waar het licht niet verblindt. Ik draag de nacht, ken het systeem, weet hoe zorg een nummer werd, een naam zonder loonstrookjes die ik claim. Hoe een gebrek een doos wordt vol gegevens hoe recht onder druk langzaam stomt verdwijnt in roem. Alle partijen doen mee. En wat? Wat We ook breken, wat we ook zien hoop sterft niet. Ze ademt misschien. Dakloos ben ik en ik hoef niets te bewijzen. Dakloos ben ik ik sta recht in hun eisen. Geen sleutel in hand, geen deur in zicht, maar ik draag mijn stem als tegenlicht. Dakloos ben ik niet klein, niet dom. Wel problemen. Alom. Gezien worden zonder beschermd te zijn, is leven in glas, in regen en pijn. Geen kartonnen dozen vol ruis en gerucht, geen holle beloftes verpakt in lucht. Ik wil fundament. Zekerheid die blijft. Geen applaus dat je even verheft, maar rust die je lijf bevrijdt. Mijn rug is een powerbank in de nacht, mijn tas draagt wat systemen vergat. Ik sla het op geen drama, geen pracht, maar straattaal, stilte, opgeslagen kracht. Onder druk van besturen verloor ik mijn huis, verloor ik mijn recht, mijn binnen en thuis. Maar niet mijn geweten. Niet mijn stem. Niet wie ik was. Niet wie ik ben. Kou in mijn botten, stigma op huid, ik verloor mijn CV maar mijn inhoud niet kwijt.

