Ik heb een hond. En ik word een hond genoemd. Maar ik héb een hond — en daarmee heb ik ook een probleem. Want omdat ik een hond heb, kan ik nergens heen. Niet naar de bieb, niet naar de winkel, niet naar de apotheek, en zelfs als ik het geld had — niet dansen in de discotheek. In plaats daarvan zit ik met mijn hond, zonder hok, tegen het winkelraam. Hij is er. Dieren beklijven dieper dan mensen. Weet je waarom? Mijn hond en ik — mijn hond sprak nooit, gebruikte nooit de woorden die ik ook van jou niet hoorde. Maar wat mijn hond en ik weten, is dat jij ze dacht, en ik daarom voor jou de maatschappij verstoorde. Blaf. Ze vinden het zielig dat ik met jou wandel op de straten, want ze vinden dat ik jou drie keer per dag uit moet laten, en daarna alleen moet laten in dat grote huis — waar jij dan eenzaam bent. Maar jij en ik — de straat is ons huis, wij zijn maten voor elkaar. Zonder jou zou ik sterven, hier, daar, in die portiek. Zonder jouw zachte lijf tegen het mijnen, waar mensen oordeel hebben, en ik pis over het zijnen. Blaf. En grom maar niet. Je maakt me af!