
Ontluisterd Door Het Dageraad
Nog hield het woud ons onder zijnen mantel, Nog droeg de nacht ons ongezien voort, Geen fakkel blonk door nevel en takken, Geen hoorngeschal werd in den einder gehoord. Met asch in ’t vuur en hand aan de scheede, Met zwijgende mond en wakend gemoed, Verbeidden wij ’t keren van duistere uren, En stelden ons lot in het beschuttend woud. Doch langzaam week de zwarte hemel, En ’t bleeke morgenlicht nam gestalte aan, Niet als een vriend die vrede brengt, Maar als een rechter die doet verstaan. Toen zag de wacht van tusschen de stammen, Niet één noch tien, maar een schaduwzee, En waar wij waanden verborgen te wezen, Bleek reeds de vijand ons vóór geweest. Geen kreet werd geslaakt in ons midden, Geen man week achter boom of steen, Doch zwaar viel stilte op onze scharen, Alsof elk hart reeds vocht alleen. De dageraad ontluisterde ons hopen, Ontdekte wat nacht had toegedekt, Geen dwaalspoor had den vijand misleid, Geen duisternis ons lot bedekt. Toen werden de riemen vastgetrokken, Toen werden de schilden opgenomen, Niet om te zegevieren met glorie, Maar om te staan wanneer zij komen. Een ieder zag in ’t oog des anderen, Geen heldenmoed, geen ijdel woord, Doch ’t stille weten van hen die begrijpen: Vandaag wordt men gevonden of vermoord. En één sprak zacht bij stervend vuur: “Geen nacht is eeuwig, geen schuilplaats groot.” Een ander sprak: “Wij kozen dit pad, Zoo laat ons treden zonder nood.” Toen zweeg de kring en hief zich langzaam, Geen vaandel hoog, geen roemrijk lied, Alleen het kraken van natte bladeren, En adem die men haast niet ziet. Daar stond het licht nu over de stammen, Daar stond het leger zwart en wijd, En wij, gering in aantal en krachten, Doch eindelijk onttrokken aan den tijd. Geen schuiling meer in bosch of duister, Geen troost die uit de nacht nog kwam, Alleen de aarde onder onze voeten, En ’t staal dat ieder langzaam nam. Zoo ging de nacht en liet ons achter, Niet overwonnen, niet bevrijd, Maar ontluisterd door het dageraad, En gereed voor wat daar vóór ons schrijdt. Het vuur werd klein. De morgen groot. En niemand week. --- --- Disillusioned by the Dawn Still did the forest keep us beneath its mantle, Still did the night bear us unseen onward, No torch did gleam through mist and branches, No horn was heard upon the distant verge. With ash in the fire and hand at the scabbard, With silent mouths and watchful minds, We awaited the turning of darkened hours, And placed our fate within the sheltering woods. Yet slowly the blackened heavens yielded, And pale morning gathered into form, Not as a friend who carries peace, But as a judge who brings to light. Then did the watch see through the timber, Not one nor ten, but a sea of shade, And where we thought ourselves concealed, It seemed the enemy had come before us. No cry was uttered among our ranks, No man withdrew behind tree or stone, Yet heavily silence fell upon our host, As though each heart had fought alone. The dawn stripped bare our fading hope, Revealed what night had hidden away, No false trail had led the foe astray, No darkness had concealed our fate. Then were the straps drawn tightly fast, Then were the shields brought into hand, Not to seek glory through triumph, But to remain when they should come. Each looked into the eyes of another, No boast of courage, no hollow word, But only the quiet knowing of those who understand: This day one is found, or one is slain. And one spoke softly beside the dying fire: “No night endures, no refuge stands forever.” Another answered: “We chose this road, So let us walk it without fear.” Then the circle fell to silence and slowly rose, No banner raised, no glorious song, Only the crack of rain-dark leaves, And breath one scarcely sees. There stood the light above the timber, There stood the host, black and wide, And we, so few in strength and number, Yet finally released from borrowed time. No shelter left in wood or darkness, No comfort left from the night behind, Only the earth beneath our feet, And the steel each slowly claimed. So passed the night and left us standing, Neither conquered, nor set free, But disillusioned by the dawn, And ready for what walked before us. The fire burned low. The morning grew. And none withdrew.

