
De Brief - Willem de Merode
Toen de avond de kamer innam, Werd de spiegel met licht gevuld. De brief, die ik niet meer lezen kon, Glansde koel als het zachte gezicht Van een kalm gestorvene, Wiens lippen een vleug warmte vasthouden Om onze laatste kus niet te verschrikken. De samenvouwing der handen Wil ons naderen reeds niet meer kennen, Hun verstrengeling weert ons. Onder de zoete woorden staat een naam gekrabbeld. Liefkozend spreek ik die uit. Aan mijn tanden tintelt ijs.

