
Snachts rusten meest de dieren, Ook mensen goed, en kwaad, En mijn Lief goedertieren Is in een stille staat: Maar ik moet eenzaam zwieren, En kruisen hier de straat. Ik zie het zwerrick* drijven Ik zie de klare* Maan, Ik zie, dat ik moet blijven Alleen mistroostig staan! Ach lief, wilt mij gerijven* Met troostelijk vermaan! Och slaapt gij mijn behagen, Dewijl ik doe mijn klacht? Wat baat mij dan mijn klagen, Nu gij de doven slacht*: Ik zal 't geduldig dragen, Ik wens u goede nacht. Adieu Prinsesje jeugelijk Mijn Vrou van mijn gemoed: Adieu en droom geneugelijk En slaap gerust en zoet: Ach 't is mij zo onmeugelijk Te rusten als gij doet.

